yellow line orange line red line

In NLP bepalen filters wat je waarneemt

NLP maakt een onderscheid tussen:
- de referentiestructuur is alles om ons heen, de som van alle mogelijke ervaringen
- de dieptestructuur is het wereldmodel, de verzameling mentale strategieŽn die ons in staat stelt in de wereld te opereren
- de oppervlaktestructuur is datgene wat we gemakkelijk kunnen waarnemen, door iemands non-verbale gedrag nauwkeurig te kalibreren en door te letten op predicaten.

Alle informatie die de mens bereikt komt binnen via een van de vijf zintuigen: ogen, oren, reukzin, smaakzin en tastzin. Dat worden in NLP de verschillende zintuiglijke kanalen of modaliteiten genoemd. De belangrijkste zijn het visuele kanaal voor beelden, het auditieve kanaal voor geluiden en het kinesthetische kanaal voor aanraking en interne gevoelens. Daarnaast bestaan er het olfactorische (voor geuren) en gustatorische kanaal (voor smaak).

In de hersenen worden de biochemische prikkels afkomstig van de zintuigcellen omgezet in zintuiglijke indrukken. Naar schatting bereiken elke seconde via de zintuigen twee miljoen eenheden informatie het centrale zenuwstelsel. Je begrijpt dat het bewuste denken zoveel informatie helemaal niet aan kan. Daarom wordt de informatie die we via de zintuigen binnenkrijgen gefilterd.

Filtering vindt plaats op verschillende manieren. In de eerste plaats fungeren de zintuigen als fysieke filters. Er zijn namelijk grenzen aan wat zintuigcellen kunnen waarnemen. Zo kan een mens alleen geluiden waarnemen met een frequentie tussen de 4 en 20 duizend Hz. Alles wat daar buiten valt horen we niet.

Een tweede manier van filtering vindt plaats door selectie van de informatie. We beschikken over een verzameling instrumenten (overtuigingen, waarden, criteria) die bepaalt welke informatie relevant is en welke niet. Hierbij speelt taal een belangrijke rol. We organiseren onze ervaringen met behulp van taal.

De waarnemingsfilters maken deel uit van de dieptestructuur en selecteren uit alle mogelijke indrukken (de referentiestructuur) de informatie die past bij het wereldmodel.

Omdat het wereldmodel deel uitmaakt van de dieptestructuur, kunnen we het niet rechtstreeks leren kennen. De dieptestructuur kunnen we leren kennen door de oppervlaktestructuur te bestuderen, door kalibratie van verbaal en non-verbaal gedrag.

Bij de omzetting van dieptestructuur naar oppervlaktestructuur vindt ook een filtering plaats, want daarbij maakt iemand gebruik van zijn voorkeursfilters.

Hoe weten we hoe iemand zijn waarnemingen organiseert? Allereerst door te luisteren naar iemands taalgebruik.
Ik heb daar nu een duidelijk beeld van.
Het klinkt logisch.
Het voelt solide aan.

Iemands taalgebruik bevat woorden die wijzen op het gebruik van een specifiek zintuiglijk kanaal. Wanneer iemand uit gewoonte gebruik maakt van woorden uit een specifiek zintuiglijk kanaal, is dat een sterke aanwijzing voor het gebruikte representatiesysteem. Dit wordt het voorkeurssysteem genoemd.

Zulke zintuiglijk gebaseerde woorden ? bijwoorden, werkwoorden, uitdrukkingen ? worden predicaten genoemd. Iemand gebruikt voortdurend een combinatie van visuele, auditieve en kinesthetische predicaten. Het gebruik is sterk afhankelijk van het onderwerp, maar als iemand de keuze heeft zal hij zijn voorkeurssysteem kiezen.

Op dezelfde manier kunnen we door te letten op iemands taalgebruik vaststellen hoe iemands wereldmodel in elkaar zit, door te letten op onderliggende waarden, criteria en overtuigingen. Door aan te sluiten op iemands predicaten, waarden en overtuigingen ontstaat rapport.

Daarnaast kun je letten op non-verbaal gedrag.


Gerelateerde artikelen

- Je gedachten en gedrag sturen met NLP
- Het wereldmodel (model of the world)
- In NLP creŽren overtuigingen je werkelijkheid

© Copyright 2001 - 2018 Soulwork - All Rights Reserved